Digitale transformatie zonder afbouw maakt de zorg duurder en complexer, niet beter
Digitale transformatie zonder afbouw maakt de zorg duurder en complexer, niet beter
Dit is deel 2 van een reeks over digitale transformatie in de zorg. In mijn vorige blog beschreef ik dat de techniek zelden het echte probleem is. Door nieuwe technologie toe te voegen aan oude processen wordt de transformatie vooral complexer en duurder. Ook constateerde ik dat er te weinig wordt nagedacht en te snel wordt gestart met iets nieuws. Zodoende kwam ik uit bij de vraag: wat gaan we niet meer doen? Waar gaan we mee stoppen? In dit deel werk ik die vraag uit. |
De Nederlandse zorg investeert jaarlijks miljoenen in digitalisering. We introduceren nieuwe digitale zorgpaden, experimenteren volop met AI en copilots, implementeren thuismonitoring en werken aan (regionale) databeschikbaarheid.
Toch ervaren veel zorgprofessionals dat hun werk niet eenvoudiger wordt. Soms lijkt de complexiteit juist toe te nemen. Hoe kan dat? Het antwoord is, denk ik, ongemakkelijk: we voegen voortdurend nieuwe technologie toe, maar stoppen vrijwel nergens mee.

In de zorg praten we veel over innovatie. Over nieuwe technologie, nieuwe subsidies, nieuwe platformen, nieuwe apps, nieuwe dashboards, nieuwe portalen en tegenwoordig natuurlijk ook over AI.
En begrijp me goed: daar zit veel waarde in. Technologie helpt om de zorg toegankelijker, slimmer en beter organiseerbaar te maken. Het onderzoek van Eze en collega’s, Telemedicine in the OECD: An umbrella review of clinical and cost-effectiveness, patient experience and implementation, laat ook zien dat digitale toepassingen bijdragen aan kwaliteit, veiligheid, toegankelijkheid en ondersteuning van zorgprocessen, mits ze goed worden ingebed in de praktijk.
Maar er zit dus ook een afbreukrisico in wat mij betreft. Want als we niet oppassen, bouwen we met iedere innovatie een nieuwe laag boven op hetgeen er al is. En daar zit het gevaar. We investeren in digitalisering om de zorg eenvoudiger te maken, terwijl de organisatie steeds complexer wordt. Dat is de paradox van digitalisering zonder afbouw: iedere nieuwe toepassing kan waarde toevoegen, maar als niets verdwijnt, neemt de complexiteit toe (Bron: McKinsey, Tech debt: Reclaiming tech equity).
De stapeling is groter dan we denken
In veel zorgorganisaties is de afgelopen jaren enorm veel toegevoegd. Een nieuw EPD, patiëntenportalen, een moderne werkplek, dataplatformen, regionale uitwisseling, capaciteitsdashboards, thuismonitoring, digitale triage, BI-omgevingen, integratieplatformen en beveiligingslagen. Elk initiatief had op zichzelf een goede reden. Niemand start een project om het ingewikkelder te maken. Maar bij elkaar ontstaat er stapeling.
Nieuwe technologie komt boven op oude processen. Nieuwe rapportages komen naast bestaande rapportages. Nieuwe digitale kanalen komen naast telefoon, balie en papieren formulieren. Nieuwe applicaties komen erbij, terwijl de oude blijven draaien. En dus wordt het werk niet automatisch lichter. De professional moet én het oude proces blijven volgen én het nieuwe systeem gebruiken.
Digitalisering zonder afbouw leidt dan niet tot transformatie, maar tot complexiteitsgroei. En dat lijkt me niet de bedoeling.

Complexiteit is een verborgen kostenpost
We hebben het vaak over de kosten van technologie. Licenties, implementatiekosten, koppelingen, beheer, security en projectcapaciteit. Die kosten zijn zichtbaar.
Minder zichtbaar zijn de kosten die ontstaan doordat het oude blijft bestaan naast het nieuwe. In extra afstemming. In uitzonderingen. In dubbele invoer. In beheerlast. In trage besluitvorming. In technische schuld. En in medewerkers die hun weg moeten vinden door een steeds complexer landschap.
Zoals ik in mijn vorige blog al aanhaalde, laat onderzoek van McKinsey zien dat CIO's bevestigen dat 10 tot 20% van het technologiebudget voor nieuwe producten feitelijk wordt opgeslokt door het oplossen van technische schuld. Daarnaast gaf 60% van de ondervraagde CIO's aan dat hun technische schuld in de jaren ervoor verder was toegenomen in plaats van afgenomen.
Dat onderzoek ging niet specifiek over de zorg, maar het onderliggende mechanisme is herkenbaar: hoe meer je blijft toevoegen zonder op te ruimen, hoe minder ruimte er overblijft voor echte vernieuwing. Technische schuld is daarmee niet alleen een technisch probleem. Het is ook een bestuurlijk probleem dat ontstaat door keuzes die we niet maken. Door applicaties niet uit te faseren. Door uitzonderingen te accepteren. Door projecten af te ronden zonder beheer, adoptie en batenrealisatie scherp te organiseren. De rekening hiervan komt vaak pas jaren later en onverwachts.
Innovatie is aantrekkelijker dan afbouw
Nieuwe dingen geven onmiskenbaar energie. Een nieuw project geeft beweging. Een pilot geeft enthousiasme. Een AI-toepassing klinkt vernieuwend. Afbouw heeft dat van nature veel minder. Niemand knipt graag het lintje door bij het uitzetten van een applicatie. Er is zelden een feestelijk moment als een rapportage wordt afgeschaft of een project wordt gestopt (hoe vaak gebeurt dit überhaupt in de zorg?). Een proces verwijderen voelt minder innovatief dan een platform lanceren. | Toch bestaat hier al lang een begrip voor dat ik nog weinig heb gezien in het zorglandschap: exnovatie. Het bewust en gestructureerd afstoten van een innovatie waarin een organisatie eerder heeft geïnvesteerd. In de zorg(-ICT) praten we voortdurend over innovatie. Exnovatie krijgt nauwelijks aandacht. Misschien ligt daar juist wel een kans: het afbouwen van wat niet meer bijdraagt net zo serieus organiseren als het starten van iets nieuws. Want pas als iets ouds verdwijnt, ontstaat er ruimte. Ruimte in agenda's, in processen, in het applicatielandschap, ruimte in budgetten en ruimte in het hoofd van zorgprofessionals. Zonder die ruimte blijft innovatie iets wat erbij komt. En alles wat erbij komt, moet ook beheerd, uitgelegd, gefinancierd en beveiligd worden. |
Substitutie is de kern van betaalbare transformatie
Exnovatie gaat over het bewust beëindigen van wat niet meer nodig is. Bij digitale transformatie gaat het nog een stap verder: het nieuwe moet het oude daadwerkelijk vervangen. Daarom is substitutie zo belangrijk. Niet alleen toevoegen, maar aantoonbaar iets anders minder, kleiner of zelfs overbodig maken.
Het “mooie” is dat we weten dat substitutie kan werken. Een recente analyse onder negen Amerikaanse zorgsystemen en 1,67 miljoen Medicare-patiënten liet zien dat virtuele consulten daar overwegend substitutief waren: driekwart kwam in de plaats van een fysiek consult, niet erbovenop. Ondanks forse groei in virtuele zorg bleef het totale aantal consulten per patiënt vrijwel vlak.
Daarom hoort wat mij betreft in ieder veranderprogramma standaard één vraag te staan:
Welk bestaand proces, systeem, overleg, formulier, rapport of contactmoment verdwijnt hierdoor?
Is het antwoord onduidelijk, dan zijn we waarschijnlijk aan het digitaliseren, maar nog niet aan het transformeren.
Dezelfde eerlijkheid hoort in de businesscase. Baten als minder werkdruk en lagere kosten zijn pas echt als iemand ze organiseert: wie incasseert ze, wie past het rooster aan en wie stopt de oude werkwijze? Juist in de zorg landen baten vaak bij een andere partij dan de faciliterende partij, bij patiënten, huisartsen of verzekeraars. Betaalbare transformatie is daarom ook vooral een governancevraagstuk.
Dat vraagt om selectiviteit. Niet elk goed idee verdient een project, niet elke pilot verdient opschaling en niet elke applicatie verdient een toekomst. De vraag is niet of een initiatief in de strategie past, maar of het aantoonbaar bijdraagt aan betaalbaarheid, toegankelijkheid, kwaliteit of minder werkdruk. En zo niet: waarom doen we het dan?
Tot slot
Digitale transformatie in de zorg wordt niet betaalbaar door steeds meer technologie toe te voegen. Ze wordt betaalbaar door betere keuzes te maken. Door complexiteit te verminderen. Door oude processen af te bouwen. Door technische schuld actief te managen. Door baten niet alleen te beloven, maar ook te verzilveren. En door exnovatie net zo serieus te nemen als innovatie.
Ik hoor CIO’s of bestuurders vaak zeggen dat de ICT-kosten stijgen en dat de begroting moeilijk rond te krijgen is. Daar kan ik slechts deels in meegaan, wetende hoe weinig aandacht we hebben voor het afbouwen van onze technische schuld.
Misschien moeten we digitale transformatie niet langer beoordelen op wat er wordt toegevoegd, maar op wat er uiteindelijk verdwijnt.
De zorg heeft innovatie nodig. Maar innovatie zonder afbouw maakt de zorg niet automatisch beter, eenvoudiger of goedkoper. Soms maakt het de zorg vooral voller. Daarom moeten we het gesprek gaan voeren over de vraag die zo vaak wordt overgeslagen: wat gaan we niet meer doen? Want pas als er iets verdwijnt, ontstaat er ruimte voor echte transformatie.
Over precies deze vraag ga ik graag verder in gesprek met CIO's en transformatieleiders, onder andere tijdens onze exclusieve ronde tafel in november 2026. Meer informatie over de ronde tafel vind je hier: op LinkedIn. Er zijn nog plaatsen beschikbaar, dus meld je snel aan! |


Opmerkingen